|
Na het Verdrag van Verdun (843) en de uiteindelijke verdeling van het rijk van Karel de Grote, was onze streek een tijdlang betwist gebied. Hiervan profiteerden in eerste instantie de Noormannen, die jarenlang onze gewesten zouden brandschatten. Daarnaast maakte ook graaf Boudewijn II van Vlaanderen (ca. 879-918) van de ontreddering gebruik om zich van grote delen van Vlaanderen meester te maken ten nadele van de koning en ten koste van talrijke onbeheerd gebleven kerkelijke goederen. Ook kleinere heren volgden zijn voorbeeld. Het is ongetwijfeld in deze periode dat de eerste heren van Dendermonde zich, ten nadele van de Duitse keizer en enkele abdijdomeinen, stroomafwaarts van Gent een allodiale heerlijkheid uitbouwden. Vermoedelijk in de 10de eeuw hebben deze eerste heren op een eiland in de Dender hun eerste burcht opgericht, dichtbij een bestaande bewoningskern en de strategisch gelegen Dendermonding. Pas na het overlijden van keizer Hendrik III (1056) kwam een vrede tot stand, waarbij het gebied tussen Dender en Schelde als een leen aan de Vlaamse graaf Boudewijn V werd toegewezen. De heren van Dendermonde hebben in deze verovering van Rijksvlaanderen vermoedelijk een belangrijke rol gespeeld, waardoor ze nadien tot de topadel van Vlaanderen gingen behoren. Rond het midden en in de tweede helft van de 11de eeuw beveiligden ze de toenmalige nederzetting met een gordel van natte grachten, aarden wallen en enkele poorten. Ten noorden van de latere Kerkgracht lieten ze de romaanse O.L.Vrouwekerk oprichten, die ze ca. 1106 voorzagen van een kapittel van zes kanunniken. Vanaf de 12de eeuw ging Dendermonde, beschermd door zijn heren, zich geleidelijk ontwikkelen tot een kleine stad en een lokaal handelscentrum. In de 13de eeuw bloeide Dendermonde definitief open tot een taken-
en handelscentrum. De bevolking nam toe zodat, na een eerste uitbreiding in de 12de eeuw, reeds in het eerste kwart
van de 13de eeuw een nieuwe uitbreiding in zuidoostelijke richting noodzakelijk bleek. In 1233 kreeg Dendermonde
zijn stadskeure van Robrecht van Bethune. Onder impuls van Mathilde I kwamen in het eerste kwart van de 13de eeuw
het Sint-Blasius- en het Sint-Gillishospitaal tot stand. Dit laatste werd in 1223 omgevormd tot een cistercienzerinnenabdij.
Toen deze in 1228 naar de Zwijvekekouter werd verplaatst, bracht men de zetel van de parochie over naar een terrein
binnen de stadsmuren. Daar ontstond enige tijd later de kerk van Sint-Gillis-Binnen. In de tweede helft van de
13de eeuw kwamen ook het begijnhof en de nieuwe vlees- en lakenhalle tot stand en gaf men de aanzet tot de verbouwing
van de romaanse O.-L.-Vrouwekerk tot een waardige gebedsruimte in gotische stijl. Tijdens de volgende eeuwen bleef de stad in het bezit van de Habsburgers.
Dendermonde ontsnapte in 1566 aan de eerste beeldenstorm, doch werd in 1572 door Spaanse troepen ingenomen en geplunderd.
Nadien viel de stad in de handen van de rebellen, die in 1584 de strijd dienden te staken tegen het leger van landvoogd
Alexander Farnese. Op zijn bevel werd er tussen ca. 1584 en 1590, op de landtong tussen de Dendermonding en de
Schelde, een citadel (Spaans kasteel) opgericht. De tweede helft van de 18de eeuw was een periode van voorspoed.
Het bevolkingsaantal nam toe, de landbouw stond op hoog niveau, de handel werd bevorderd door het aanleggen van
steenwegen en allerlei kanaliseringswerken, nieuwe industrieën deden hun intrede en maakten stilaan een einde
aan de verouderde privileges van de ambachten. In 1773 kwam hier een belangrijke papiermolen en in 1787 een katoendrukkerij
tot stand. In diezelfde periode werden, op initiatief van keizer Jozef II, alle vestingswerken, stadsmuren en -poorten
openbaar verkocht en afgebroken. Ook enkele kloosters werden toen opgeheven. Deze bevrijding van haar beklemmende
wallen was maar van korte duur. Na de Franse periode, waarin zowel de rechtbank van eerste aanleg en de academie
voor schone kunsten tot stand kwamen, werd Dendermonde opnieuw opgezadeld met het statuut van militaire vesting.
Tussen 1823 en 1830 werd de stad voorzien van een stevige en moderne omwalling en van een ganse reeks militaire
gebouwen, poorten, kazematten, arsenalen en een kazerne. Dit statuut van garnizoenstad zou gedurende meer dan 100
jaar haar industriële ontwikkeling blijvend belemmeren. Toen in 1906 Dendermonde eindelijk het statuut van 'open stad' kreeg en een eerste stap werd gezet naar de ontmanteling van de vesting, leek een verdere expansie voor het grijpen. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog strooide echter meer dan roet in het eten. Belgische soldaten verhinderden te Dendermonde één maand lang de overtocht van het Duitse Leger over de Schelde. Als weerwraak staken de Duitse troepen de stad in het begin van september 1914 systematisch in brand. Hierbij werden ongeveer 1200 woningen totaal vernield en 900 ernstig beschadigd; ook het stadhuis en het historisch archief van de stad ging in de vlammen op. Jarenlang diende een groot gedeelte van de bevolking in voorlopig herstelde huizen en houten noodwoningen te wonen. Ondanks een krachtig aangevatte wederopbouw, bleek de Staat pas in 1936 bereid de vestinggordel definitief te verkopen. Opnieuw vormde het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog een fatale onderbreking voor de realisatie van de bestaande urbanisatieplannen. Na de Tweede Wereldoorlog nam de lokale textiel- en ledernijverheid
steeds meer in omvang af, terwijI de pendelarbeid groeide. Dendermonde werd bestemd tot woonstad, waarbij de industrie
niet langer welkom bleek. Toch bleef de stad een belangrijk lokaal centrum op educatief, medisch, juridisch en
administratief vlak. Om de gemeenten meer groeikracht te geven, besloot men op het einde van de zestiger jaren
een aantal gemeenten samen te smelten. Dit resulteerde, niet zonder de nodige tegenstand, voor Dendermonde in een
dubbele fusieoperatie. In 1972 was er een eerste fusie met Appels en Sint-Gillis-Dendermonde, in 1977 gevolgd door
een tweede fusie met de gemeenten Baasrode, Grembergen, Mespelare, Oudegem en Schoonaarde. Zo vermeerderde de totale
oppervlakte van de stad tot ca. 5.510 ha en het inwoneraantal tot ca. 42.000. Deze fusies hebben achteraf gezien
inderdaad een nieuwe dynamiek tot stand gebracht. Er kwam een modern administratief centrum. De sportinfrastructuur
werd gevoelig verbeterd. Op cultureel en toeristisch vlak boekte men eveneens aanzienlijke vooruitgang. Het onderwijs
werd gerationaliseerd. Men kwam tot een fusie van de medische verzorgingsinstellingen. Op intercommunaal vlak maakte
men werk van de aanleg van een industrieterrein, de verwerking van huisvuil en het zuiveren van afvalwater.
|