| |
|
|

Boven: Zicht op de zuidelijke gevel van het Prinsenhof
Links: De statige kloostergevel met vierkante hoektoren
en vooraan het monument van Prudens van Duyse, Vlaams dichter - (Dendermonde 17/09/1804 - Gent 13/11/1859)
|
HET PRINSENHOF: EEN BEKNOPTE HISTORIEK
We kregen al vaak de vraag: wat betekent de naam 'Prinsenhof' ? Om de nieuwsgierigen tevreden te stellen geven
we u onderstaand beknopt overzicht dat ook online kan geraadpleegd worden (http://inventaris.vioe.be/dibe/relict/48940)
Zwartzusterklooster, met inbegrip van de kloostergebouwen, kapel, deel van voormalig Landhuis, tuin met onder meer
retabel en tuinpaviljoen, beschermd als monument bij MB van 04.12.2003.
Het klooster annex kapel "Huize Nazareth" van de zwarte
zusters is gelegen aan de Vlasmarkt tussen de abdijkerk en het winkelcentrum Oude Vismijn. Tot in de 19de eeuw
was deze locatie gekend als de Affligemhoek verwijzend naar de refuge van de benedictijnen van Affligem die daar in
de 16de-17de eeuw gehuisvest waren. Dezelfde orde vestigde zich in 1837, na de verdrijving uit hun Affligemse abdij
tijdens de Franse Revolutie, in het leegstaande klooster annex kerk van de kapucijnen. De voormalige kapucijnerkerk
werd in 1901-02 vervangen door een nieuwe in neogotische stijl naar ontwerp van de Gentse architect August Van
Assche. Tegen de zuidgevel van de kerk is het klooster aangebouwd en aanvankelijk hadden de zusters ook een rechtstreekse
toegang tot de kerk. De kloostergebouwen met kapel bieden nu onderdak aan de congregatie alsook aan de Dendermondse
speelpleinwerking en het documentatiecentrum van de Dendermondse
afdeling van de Vereniging voor Familiekunde.
Voor de hoofdingang van het klooster staat sinds 1893 het beeld van de Dendermondse dichter Prudens Van Duyse naar
ontwerp van Godfried Devreese en Victor Horta, wiens geboortehuis op de tegenoverliggende hoek van de Vlasmarkt
gelegen is.
Het klooster van de zwartzusters werd waarschijnlijk in 1491 vanuit Pamele bij Oudenaarde gesticht en was aanvankelijk
gevestigd in de nabijheid van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Rond 1470 hadden Oudenaardse cellezusters zich omgevormd
tot echte kloosterlingen en de regel van Augustinus aangenomen. De zwartzusters hadden voor de verzorging van de
pestlijders aanvankelijk geen eigen ziekenhuis maar gingen hen aan huis of in speciale gebouwen bezoeken. De pest
die geregeld in epidemieën de kop opstak, verdween pas rond het begin van de 18de eeuw. Na het verdwijnen
van de pest doken nieuwe besmettelijke ziekten met vaak dodelijke afloop op zoals tuberculose, griep, pokken, tyfus
en dysenterie.
In 1493-94 kochten de zusters te Dendermonde een pand in de later naar hen genoemde Zwarte Zustersstraat, toen
bekend als de Kromme Elleboog. Dit werd in de volgende jaren als klooster uitgebouwd. In 1545-54 werd voor de verzorging
van de pestlijders in hun tuin een speciaal ziekenhuis opgericht dat in 1702 vergroot werd. Na de verwoesting in
1706 door een bombardement van de stad door Engelse en Hollandse troepen werd de heropbouw bekroond met de inwijding
van een nieuwe kerk in 1733.
Ook de zwartzusters werden onder het Franse regime uit hun klooster verdreven. De kloostergoederen werden aangeslagen
en openbaar verkocht, behalve twee huizen die de zwartzusters nadien in huur namen en in 1809 aankochten. In 1814
kregen zij de toelating terug hun oorspronkelijke kledij te dragen. In 1828 kochten ze op de Koornaard (nu Vlasmarkt)
het zogenaamde "Gouvernement" aan.
Het voormalige "Gouvernement" dat de zwarte zusters in 1828 betrokken, bestond in feite uit twee herenhuizen
met achteraan een ruime tuin met vijver en vormde het centrale gedeelte van het vroegere Prinsenhof. Ten noorden
werd het klooster begrensd door de gebouwen van het kapucijnenklooster, later de Sint-Petrus- en Paulusabdij, ten
zuiden door de "Gendarmerie" ondergebracht in het gewezen Landhuis.
Van dit historisch Prinsenhof wordt aangenomen dat het ooit een van de verblijfplaatsen is geweest van de heren
van Dendermonde. In ieder geval had de locatie reeds een lange geschiedenis achter de rug vooraleer de zwartzusters
er zich kwamen vestigen. In de 13de eeuw was het gekend als het
Lombaardenhof, naar de Italiaanse geldwisselaars die er
resideerden. Vanaf het einde van de 14de eeuw was in het centrale gedeelte van het voormalige Prinsenhof de ambtswoning
van de hoogbaljuws van Stad en Land van Dendermonde gevestigd. Sinds de 17de eeuw behoorde het toe aan de militaire
gouverneurs van Dendermonde, waarnaar de naam "Gouvernement" verwees. De noordelijke vleugel was in het
laatste kwart van de 16de eeuw in het bezit van de hoogbaljuw van Dendermonde. Hij verkocht het later aan de plaatselijke
bevelhebber, de Idiaquez, die het op zijn beurt schonk aan de paters kapucijnen die het later tot een klooster
verbouwden.
In de zuidelijke vleugel van het Prinsenhof was in de 16de-17de eeuw de refuge van de benedictijnen van Affligem
ondergebracht. In 1664 werd één van de refugehuizen verkocht aan het Land van Dendermonde en werd
het omgevormd tot Landhuis voor het Hoofdschepencollege waarbij later nog delen van de oorspronkelijke refuge ingelijfd
werden. Van 1811 tot 1880 was in een gedeelte van het voormalige Landhuis de Gendarmerie gevestigd die later grotendeels
zou afgebroken worden. Hieraan paalde de tuin van de zwarte zusters. In het gedeelte van het Landhuis aan de Koornaard
eigendom van privépersonen, werd vanaf 1881 tot 1914 de Katholieke Bewaarschool onder leiding van de zusters
van Sint-Vincentius a Paulo ingericht tot dat het gebouw tijdens de Eerste Wereldoorlog deels uitbrandde.
In 1838 vingen de verbouwingen aan van het voormalige "Gouvernement" die tot in het begin van de 20ste
eeuw duurden. Zo bestond het klooster aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog op de gelijkvloerse verdieping
uit enkele grote ontvangstkamers, een kapel, twee refters en andere dienstruimten, en op de verdiepingen uit gastenkamers
en de slaapcellen van de zusters.
In de jaren 1880 kochten de zusters de aanpalende gronden van de gewezen Gendarmerie, richtten een nieuwe kapel
in en realiseerden een nieuwe vleugel in de tuin. In 1914 werd het klooster net zoals de abdij grondig verwoest.
Na de verwerving van nog enkele aanpalende eigendommen in 1919-20 beslisten de zusters de overblijvende muren te
slopen en een nieuw klooster met kapel op te richten en het kloostercomplex uit te breiden met een restant van
het gewezen Landhuis waar tot 1914 de Katholieke Bewaarschool
in gevestigd was en dat in kern mogelijk tot de 17de eeuw opklimt.
De plannen werden getekend door de Gentse architect Henri Valcke in 1920. De Brusselse aannemer Frédor De
Bock zorgde voor de uitvoering van de bouwwerken. In de lente van 1921 startten de werken die in 1923 voltooid
waren. De kapel werd op 9 augustus 1923 door de Gentse bisschop Seghers ingewijd. Het kapelinterieur werd geschilderd
door het atelier A. Bressers - Blanchaert en de glasramen werden vervaardigd door Louis Grossé uit Brugge.
Architect Henri Valcke nam tevens een deel van de ontwerpen van het kerkmobilair voor zijn rekening.
Bij de honderdste verjaardag van de vestiging van het klooster op de Vlasmarkt in 1928, werd een neogotisch altaar
geleverd door C. Van de Cappelle (Anderlecht). In 1936 werd de kapel in neogotische stijl opnieuw geschilderd door
de Dendermondse firma De Buck onder leiding van de Leuvense professor Lemaire. Het gedachtegoed van het Tweede
Vaticaans Concilie had echter grote gevolgen voor het kapelinterieur. Een gedeelte van het kerkmobilair werd verwijderd
en in 1965 werd een scheidingswand tussen schip en koor gemetst onder leiding van Dom Antonius Maes van de benedictijnenabdij
en het hoogkoor als sacristie gebruikt. Tevens werden de muurschilderingen onder een egaal witte laag bedekt waardoor
het schip tot een sobere ingetogen bezinningsruimte werd omgevormd.
In 1982-83 werd een garage opgericht met uitgang langs de Oude Vest. Een nieuwe poort werd toen gerealiseerd met
het witstenen wapen van Huize Nazareth.
De nieuwe kapel in neogotische stijl, onderdeel van het totaalontwerp van architect Henri Valcke en in 1923 ingewijd,
werd opgetrokken op de binnenkoer van het klooster waardoor deze in twee werd opgedeeld. De kapel, haaks op de
straatvleugel gebouwd, is bijgevolg van op de openbare weg niet zichtbaar.
Sobere eenbeukige georiënteerde bakstenen kapel van zes traveeën onder een leien zadeldak met dakkapellen.
Aan weerszij door jongere bijgebouwen ingebouwd smaller en lager koor van twee traveeën met driezijdige sluiting.
Het zadeldak wordt ten westen gemarkeerd door een zeshoekig opengewerkt klokkentorentje met kruis, door een schouw
en ten oosten door een sierkruis op de koornok. Doordat de kapel ingebouwd is tussen de westelijke en oostelijke
kloostergang zijn enkel de zijgevels zichtbaar.
Zijgevels en hoogkoor geopend met spitsboogvensters tussen versneden steunberen met figuratief glas-in-lood in
neogotisch maaswerk. Tegen de noordelijke langsgevel bevindt zich naast de ingang een met een leien spits afgedekte
piramidale traptoren met trap naar het doksaal. De bidruimte is toegankelijk via een travee breed portaal onder
een gedrukt kruisribgewelf met korfboogvormige deur met bovenlicht in maaswerk gevat in een natuurstenen, geblokte
omlijsting voorzien van groen gekleurd glas-in-lood. Via twee steekboogvormige beglaasde deuren aan weerszij van
het portaal zijn ook de binnenkoeren te bereiken. In de twee muurnissen in het portaal bevinden zich links een
neogotisch beeld van de Heilige Elisabeth van Hongarije, patrones van de ziekenverplegers en rechts het gepolychromeerde
18de-eeuwse terracottabeeld van de Heilige Augustinus, afkomstig uit een muurnis boven de ingang van het klooster
te Oudenaarde. Boven het portaal bevindt zich het doksaal met balustrade van imitatienatuursteen.
Interieur. De kapel wordt overkluisd door bakstenen kruisribgewelven met natuurstenen ribben op consoles. In 1965
werd het hoogkoor onder leiding van Dom Antonius Maes afgescheiden door een scheidingswand van het schip en werd
de al door professor Lemaire herschilderde neogotische polychromie, oorspronkelijk van het atelier Bressers-Blanchaert,
overschilderd. De oorspronkelijke neogotische aankleding ontworpen door architect Henri Valcke werd doorheen de
jaren gewijzigd; zo verdween onder meer de wandafwerking met een hoge geschilderde lambrisering en imitatie-omlijsting
rond de vensters. Het neogotische altaar, de preekstoel, de biechtstoel en de communiebank verdwenen eveneens.
De parketvloer in visgraatverband bleef behouden, maar de stenen middenstrook werd intussen ook door parket vervangen.
Achter de nieuwe scheidingswand bleef het voormalige hoogkoor behouden. De ribben en consoles van het gewelf zijn
nog van polychromie voorzien. Ook de geschilderde deuromlijsting, evenals het houtwerk met neogotisch smeedwerk,
bleef behouden. De biechtstoel in Slavonische eik geleverd door de firma Billaux-Grossé bevindt zich nu
in het afgesloten koor. In totaal leverde het atelier van Louis Grossé uit Brugge achttien neogotische figuratieve
glasramen. De tien glasramen in het schip stellen elk een heilige in een gotische nis voor geflankeerd door twee
engelen, onderaan voorzien van wapenschilden met symbolen, en in het bovenlicht van een spreuk: noordzijde van
links naar rechts Heilige Anna (engel met schild/druivenrank), Heilige Apollonia (palmtak/tang/lelie), Heilige
Augustinus (doorboord hart/mysterie van de Heilige Drievuldigheid), Heilige Jozef (gereedschap /lelie), Heilig
Hart van Jezus (Paaslam/Pelikaan); zuidzijde van links naar rechts Onze-Lieve-Vrouw-Onbevlekt Ontvangen (Boom van
Jesse/Levensbron), Heilige Adrianus (kroon/palmtakken) (patroon van Moeder-Overste Adriana Geeraarts), Heilige
Monica (wierookvat/distelbloem), Mater Dolorosa (doorboord hart/7 zwaarden/doornenkroon), Heilige Joachim (gekroonde
lelie en monogram M/huis of tempel). De glasramen in het hoogkoor vertonen aan weerszij de voorstelling van twee
maal twee musicerende engelen met centraal in een cirkelvormig venster met vierpas Christus als de Goede Herder.
Meubilair. Het nieuwe altaar werd een witte monoliet met een incrustatie in de vorm van een duif en erboven een
gestileerde gekruisigde Christus, beide van zuster Kristien, Francine Ballet.
Van het overige kerkmeubilair zijn de fraaie neogotische ijzeren radiatorafsluitingen van de oorspronkelijke aankleding,
gerealiseerd door Isidore Blanckaert uit Gentbrugge volgens ontwerp van architect H. Valcke en de in 1941 toegevoegde
bidbanken vermeldenswaardig.
Tevens te vermelden zijn links tegen de sluitmuur van het koor een begin 18de-eeuws gepolychromeerd Madonnabeeld
uit Oudenaarde en rechts een modern tabernakel met knoppen van bergkristal en op de ivoren deuren de voorstelling
van het hart van Augustinus.
Klooster. Het nieuwe kloostercomplex vertoont een vierkant grondplan van vier vleugels rond een binnenkoer die
gedeeld werd door de kapel die haaks op de straatvleugel staat. Ten zuidoosten werd een uitbouw voorzien die het
geïncorporeerde voormalige Landhuis verbindt met de nieuwbouw. Achter het klooster ligt een aangelegde kloostertuin die
ten zuidoosten begrensd wordt door een hoge muur en ten noordwesten door de aanpalende Sint-Pieters- en Paulusabdij.
Kloostergebouw: Voor het ontwerp heeft de architect zich laten beïnvloeden door de oorspronkelijke gebouwen.
Hij behield het volume, de ritmering van de straatvleugels, het materiaalgebruik en de vormgeving van de koergevels
met markerende hoger oplopende trapgevels. Het complex in neotraditionele stijl valt op door zijn evenwichtige
en geritmeerde opbouw. Het werd opgetrokken in baksteen op een hoge plint van hardsteen met verwerking van kunststeen
voor kruiskozijnen, omlijstingen, kordons, hoekkettingen en decoratieve elementen. De drie gelijkaardige langsvleugels
van telkens drie bouwlagen, aan de Vlasmarkt door leien daken afgedekt, en achtereenvolgens haaks ten opzichte
van elkaar georiënteerd, beslaan respectievelijk elf en vijf traveeën onder een leien schild- en mansardedak
en zes traveeën onder een half schilddak. De gevels worden verticaal geleed door lisenen met hoekkettingen,
getrapte dakkapellen en horizontaal door doorlopende waterlijsten en rechthoekige vensterpartijen. De begane grond
wordt benadrukt door repetitief gebruik van gedrukte korfboogvormige hoge vensters met blind boogveld, de bovenverdieping
door rechthoekige twee- en drieledige kruiskozijnen onder pseudo-ontlastingsbogen.
De hoofdgevel aan de straat is centraal gemarkeerd door een hoger oplopende poorttravee met trapgevel en wordt
ten noorden begrensd door een smallere venstertravee eindigend in een trapgeveltje en ten zuiden door een massieve
vierkante hoektoren van vier geledingen onder een opengewerkte peerspits met omlopende bogenfries.
Middenrisaliet uitlopend in een trapgevel en met centrale ingang die toegang tot het klooster verschaft. De houten
korfboogvormige vleugelpoort is gevat in een dito omlijsting met druiplijst en een bovenlicht met rondboogtraceerwerk.
Daarboven in een nis staat een beeld van de Heilige Augustinus. In de met speklagen geritmeerde en met overhoekse
topstukken versierde topgevel bevindt zich een datumsteen '1920'.
De vleugel ten zuidoosten vormt de verbinding met het herbouwde restant, zie metselwerk, van het gewezen Landhuis
waarvan de zijgevel boven het aanpalende winkelcentrum uitsteekt. In de straatgevel van deze vleugel bevinden zich
twee toegangen waarvan één in de smallere rechter hoektravee en de bredere korfboogvormige poort
in de derde travee met houten poort. Deze poort geeft zowel toegang tot de tuin als tot het overgebleven gedeelte
van het vroegere Landhuis.
Haaks op de hoofdvleugel staan de noord- en zuidvleugel met ertussen de kloosterkapel die de binnenkoer over de gehele lengte in twee
verdeelt. De lagere vleugel met erkeruitbouw bestemd als wintertuin, ten oosten van de kapel, vormt de verbinding
tussen de noord- en zuidvleugel. De gevels aan de binnenkoeren en de tuin vertonen dezelfde strakke ritmering en
gevelopbouw maar werden minder rijkelijk uitgewerkt dan deze aan de straatkant. Ze werden opgetrokken in donkerrode
baksteen op een lage hardstenen plint, geleed door lisenen en hoeklisenen en afgelijnd door een overstekende houten
kroonlijst op klossen. Waterlijsten, sluit- en aanzetstenen werden in imitatiehardsteen uitgevoerd. Korfboogvormige
vensters met roedeverdeling gevat in een getrapte omlijsting. De gespiegelde smallere tuingevels van de noord-
en zuidvleugels vertonen een uitspringende hoektravee van vier geledingen, hoger oplopend in een trapgeveltje met
overhoeks topstuk.
Interieur. De vleugels werden opgebouwd volgens een klassiek principe waarbij de circulatiegangen van de oost-
en westvleugel aan de binnenkoer palen. In de zuid- en noordvleugel geven respectievelijk de refters en de privékamers
op het binnenplein uit.
In de westvleugel, de hoofdvleugel aan de Vlasmarkt, werden semipublieke functies ondergebracht. Ten noorden van
de hoofdingang werd een ontvangstzaal, een conferentiezaal en een grote spreekplaats ingericht, ten zuiden het
bureau van de portierster, de verbandkamer, het bureau van de overste, de Kapittelkamer en nog een spreekplaats
op de uiterste rechtse hoek langs de voorgevel. De centrale inkom verleent tevens toegang tot de in de as gelegen
kloosterkapel.
De noordvleugel, op de plaats van de afgebrande 19de-eeuwse kapel, werd voorbehouden aan een spreekplaats, het
noviceverblijf, een naaikamer en de bibliotheek. De zuidvleugel omvat in het gedeelte links van de centrale gang
het verblijf van de zusters, door een gang gescheiden van de grote en de kleine refter. Aan de rechterzijde van
de middengang liggen het voormalig verblijf van de knecht, het schotelhuis en in de verbindingsvleugel de ruime
keuken.
De privévertrekken bevinden zich op de bovenverdieping die grotendeels volgens hetzelfde patroon met rondlopende
gang werd uitgebouwd; toegankelijk via sobere houten bordestrappen met fraai gesculpteerde trappaal. Aan de straatzijde
liggen twee grote logeerkamers, een kleine kapel en drie slaapkamers. Aan weerszij van de binnenkoeren zijn er
nog tien slaapkamers, een strijkkamer en enkele bergkamers. Op de tweede en derde verdieping zijn er meerdere slaapkamers,
enkele bergkamers en zolders. Op de bovenverdieping treft men naar verluidt ook het gepolychromeerde Onze-Lieve-Vrouw
van Lourdesbeeld aan dat gespaard bleef bij de grote brand in 1914. Volgens de overlevering dateert het uit 1894
en was het opgericht als dank voor de wonderbare genezing van zuster Alphonsine te Lourdes.
Het kloosterinterieur was voorheen voorzien van neogotische schilderingen in combinatie met onbewerkte bakstenen
gewelven op natuurstenen ribben en dito zuilen en arcades. De neogotische wandafwerking werd intussen overschilderd,
maar het levendig kleurgebruik van de andere materialen bleef behouden evenals een groot gedeelte van de aankleding
zoals onder meer het schrijnwerk, sobere cementtegels in de gangen, bakstenen schouwen in neogotische of houten
in neo-Vlaamse-renaissancestijl.
Tuin. In de as van de kapel was in de tuin een bomenrij aangeplant die vroeger naar een grot van Onze-Lieve-Vrouwe
leidde met ten zuiden een plaasteren beeld van Heilige Augustinus. Deze grot werd bij de bouw van de garage in
de jaren 1980 afgebroken. In de zuidoostelijke muur treft men wel nog een gepolychromeerd retabel in neogotische
stijl met taferelen uit het leven van Christus aan, naar verluidt afkomstig van het klooster van Pamele.
De zuidoostelijke vleugel met het herbouwde restant van
het gewezen Landhuis biedt nu onderdak aan de Vlaamse Dienst voor Speelpleinen en de Dendermondse afdeling van
de Vlaamse Vereniging voor Familiekunde (VVF). Door de
brand tijdens de Eerste Wereldoorlog diende het gebouw heropgebouwd te worden. Toch bleven nog enkele gewelfde
ruimtes en hoge kamers met massieve moerbalken met geprofileerde balksleutels bewaard. Het ten noorden ingebouwde
bakstenen complex in classicistische stijl, van drie bouwlagen heeft twee blinde buitengevels onder een half schilddak.
Enkel de zuidelijke gevel (zie foto boven) van zes traveeën met houten kroonlijst op klossen doorbroken door
een laadluik, heeft rechthoekige vensters met vernieuwd schrijnwerk op arduinen lekdrempels. De onderste bouwlaag
bewaart nog haar oorspronkelijke bakstenen parement in kruisverband en vijf vrij hoge vensters waarvan twee mogelijk
bij de nieuwbouwwerken elk tot een deur werden verbouwd. Ze vertonen een omlijsting van kwarthol geprofileerde
negblokken en een ontlastingsboog met rollaag en platte laag. Tegen een deuropening in de vijfde travee werd er
in het laatste kwart van de 18de eeuw een kleine portiek
aangebracht. Rondboogpoort met een kwarthol geprofileerde
dagkant en een geriemde omlijsting met cirkelmotief in de zwikken, gevat tussen twee geblokte pilasters met gecanneleerd
hoofdgestel. Onder het driehoekige geprofileerde fronton verwijst een laurierslinger naar de classicistische stijl
van het einde van de 18de eeuw. Rechtover deze portiek
staat een verwaarloosd tuinpaviljoentje waarvan de naar de portiek gekeerde witstenen gevel op identieke manier
werd uitgewerkt.
- Stadsarchief Dendermonde, Bouwplannen, 1920/44 (volume 2/44).
- Vlaamse Overheid, Ruimte& Erfgoed, Afdeling Oost-Vlaanderen,
Onroerend erfgoed, archief.
- PEE L. - STROOBANTS A., 500 Jaar Zwarte Zusters te Dendermonde
1491-1991, tentoonstellingscatalogus, Dendermonde, 1991.
- STROOBANTS A., Het Zwartzusterklooster, in Stadskrant Dendermonde,
nr. 15, 1991.
- STROOBANTS A., De Zwarte Zusters en de besmettelijk26e ziekten,
in Stadskrant Dendermonde, nr. 17, 1991.
Bron: Bogaert C. , Duchêne H. , Lanclus K. & Verbeeck M. s.d.: Inventaris van het bouwkundig erfgoed,
Provincie Oost-Vlaanderen, Arrondissement Dendermonde, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 20N, (onuitgegeven
werkdocumenten).
Auteurs: Duchêne, Helena & Verbeeck, Mieke
|
|